Overeenkomst van opdracht versus arbeidscontract

In de juridische werkelijkheid kan een overeenkomst van opdracht onverwacht een arbeidscontract blijken te zijn. Als de rechter de vraag wordt voorgelegd te beoordelen of een tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht heeft te gelden als een arbeidscontract zal hij alle relevante feiten op een weegschaal moeten leggen. Een voorbeeld van zo'n casus is terug te vinden in het arrest van 15 augustus 2006 (LJN AY9740) van het Gerechtshof te Arnhem. In weerwil van het betoog van een fotograaf die vooral voor De Gelderlander werkte oordeelt het Gerechtshof na zorgvuldige afweging van alle relevante feiten dat tussen partijen geen sprake is van een arbeidscontract.

De casus

Een fotograaf werkt sinds 1 mei 1984 voor het regionale dagblad De Gelderlander. Tussen partijen ontstaat een conflict over de voortzetting van de relatie en de omvang ervan. De fotograaf beroept zich op art. 7:610a van het Burgerlijk Wetboek. Dit wetsartikel bepaalt: "Hij die ten behoeve van een ander tegen beloning door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden, wekelijks dan wel gedurende ten minste twintig uren per maand arbeid verricht, wordt vermoed deze arbeid te verrichten krachtens een arbeidscontract." In tegenstelling tot het betoog van de fotograaf stelt De Gelderlander dat geen sprake is van een arbeidscontract, maar van een overeenkomst van opdracht (freelance). Een overeenkomst van opdracht kan zonder tussenkomst van UWV of kantonrechter worden beëindigd. Partijen leggen in hoger beroep aan het Gerechtshof de vraag voor of in dit geval de relatie tussen de fotograaf en De Gelderlander moet worden beoordeeld als een overeenkomst van opdracht dan wel als een arbeidscontract.

Kenbare bedoeling

Het Hof oordeelt dat sprake is geweest van een overeenkomst van opdracht. Het Hof leidt dit in de eerste plaats af uit het feit dat het bij de aanvang van de werkzaamheden de bedoeling van partijen was dat de fotograaf freelance voor De Gelderlander zou gaan werken. De fotograaf heeft dit erkend, maar hiertegen aangevoerd in de loop van de jaren tegenover De Gelderlander kenbaar te hebben gemaakt alleen nog maar voor een vast dienstverband te willen werken. Uit de overgelegde stukken blijkt volgens het Hof echter steeds van het tegendeel. Partijen hebben namelijk jaarlijks nieuwe overeenkomsten gesloten met als titel 'overeenkomst van opdracht'. Het Hof stelt vast dat het in de loop van de jaren de kenbare bedoeling van partijen is gebleven dat de fotograaf als freelancer in opdracht van De Gelderlander bleef werken.

Het Hof keek niet alleen naar de bedoeling die partijen hebben gehad over de wijze waarop zij de arbeidsrelatie wilden invullen, maar ook naar de wijze waarop beide partijen daarop daadwerkelijk invulling hebben gegeven. Het Hof nam in ogenschouw dat de fotograaf door De Gelderlander werd betaald op basis van door hem ingediende facturen, waarbij hij de BTW apart in rekening bracht. Maandelijks betaalde De Gelderlander aan de fotograaf een voorschot, dat aan het einde van het jaar werd verrekend met het werkelijk aantal afgenomen foto's. De fotograaf had het recht een opdracht te weigeren. De fotograaf had de vrijheid voor andere opdrachtgevers te werken. De fotograaf investeerde zelf in (foto)apparatuur om aan zijn werkzaamheden voor De Gelderlander uitvoering te kunnen geven. Tijdens ziekte behoefde De Gelderlander het loon van de fotograaf niet door te betalen, maar werd die betaling overgenomen door het toenmalige GAK. Op zijn website profileerde de fotograaf zich als een zelfstandig werkende fotograaf. Verder stond hij ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en werkte hij onder zijn eigen naam.

Gezagsverhouding

Een belangrijk criterium aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een arbeidscontract, is de beantwoording van de vraag of tussen partijen een gezagsverhouding heeft bestaan. Het Hof stelt vast dat De Gelderlander (slechts) het ontwerp van de foto's en de wijze en het moment van aanlevering van de foto's bepaalde. De uitvoering van de foto kon de fotograaf naar eigen technisch en creatief inzicht doen. De instructies van De Gelderlander leverden dan ook geen wezenlijke beperking op van de vrijheid van de fotograaf om zijn invulling aan het onderwerp te geven. De instructies die De Gelderlander gaf passen naar het oordeel van het Hof binnen een overeenkomst van opdracht.

Commentaar

De wetsbepalingen in titel 7.10 van het Burgerlijk Wetboek zijn voor een belangrijk deel van dwingend recht. Dat geldt ook voor de vraag wanneer tussen partijen sprake is van een arbeidscontract. Artikel 7:610 BW definieert het arbeidscontract als "de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten." Zodra inhoudelijk aan de wettelijke criteria is voldaan, is sprake van een arbeidscontract in de betekenis van de wet, ook als partijen daaraan een andere titel hebben gegeven. Niet voor niets definieert art. 7:610a BW het rechtsvermoeden dat sprake is van een arbeidscontract indien tegen beloning gedurende ten minste drie maanden arbeid wordt verricht. Rechtsvermoedens mogen echter weerlegd worden. Die weerlegging doet zich ook in deze casus voor.

In 1997 deed de Hoge Raad een opzienbarende uitspraak met het zo genoemde Groen/Schroevers arrest. Dit arrest vormt sindsdien de leidraad met betrekking tot de vraag of en wanneer van een gezagsverhouding kan worden gesproken. Volgens de Hoge Raad geldt in de eerste plaats de bedoeling van partijen bij het aangaan van de overeenkomst. Daarbij moet in aanmerking worden genomen de wijze waarop partijen feitelijk uitvoering en inhoud aan de overeenkomst hebben gegeven. Niet één enkel kenmerk kan beslissend zijn, doch uitsluitend het totale beeld. Vervolgens dient de rechter van de Hoge Raad onder ogen te zien "of sprake was van een zodanige gezagsverhouding (...) dat desalniettemin van een arbeidscontract moet worden gesproken." Tot slot is van belang dat de rechter bij de vaststelling van de aard van de werkverhouding rekening houdt met de maatschappelijke positie van de betrokken werknemer. De Hoge Raad heeft deze uitspraak herhaald en bevestigd in 2003 en 2004.

Zo bezien is de uitkomst van het Gerechtshof in de beschreven kwestie van de fotograaf tegen De Gelderlander weinig opzienbarend. Het Hof past hierin op technische wijze de juridische lijn toe die door de Hoge Raad uitgezet is in het arrest Groen/Schroevers. Enerzijds is het standpunt van de fotograaf wel te volgen. De jarenlange samenwerking met De Gelderlander als zijn belangrijkste opdrachtgever schept in zekere zin verwachtingen over de continuïteit. Anderzijds ging die samenwerking niet ver genoeg om te kunnen spreken van een arbeidscontract. Dat partijen nimmer hebben bedoeld een arbeidscontract te sluiten en dat de fotograaf zich bij zijn presentatie en facturering steeds onafhankelijk ten opzichte van De Gelderlander heeft opgesteld, zijn hier doorslaggevend geweest.