De prijs van nee zeggen

De voormannen van VVD, CDA en PVV hebben ruim 7 weken in het Catshuis onderhandeld. Partijen spraken met elkaar over de voortzetting van hun samenwerking met een nieuwe bezuinigingsronde van ruim 18 miljard euro. Partijen waren het uiteindelijk met elkaar eens dat het begrotingstekort terug gedrongen diende te worden tot 3 procent. Premier Rutte had zich daarvoor eerder in de EU namens Nederland hard gemaakt.

Naar verluid waren partijen zeer dicht bij overeenstemming. Het ging alleen nog over details. De drie partijen onderhandelden vooral nog over de presentatie van hun plannen. De onderhandelaars van VVD en CDA gaven aan dat de PVV de indruk wekte dat het akkoord binnen handbereik was. Op het allerlaatste moment vond de onderhandelaar van PVV plotseling de 3 procent toch niet acceptabel. Breuk. Daardoor dreigt Nederland te worden geconfronteerd met boetes en hogere rentes.

Hoe zou een rechter het afbreken van deze onderhandelingen juridisch beoordelen? Als de VVD en het CDA burgers of bedrijven waren geweest dan hadden ze de PVV voor de rechter kunnen dagen. Zij hadden dan vergoeding kunnen vorderen van de geleden schade. De rechter zou zo’n vordering kunnen toewijzen als hij van oordeel is dat het afbreken van de onderhandelingen gelet op de omstandigheden van het geval ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ is. Daarbij telt zwaar welke verwachtingen de afbrekende partij jegens de anderen heeft gewekt.

Feit is dat de onderhandelaar van PVV met de hoofdlijnen van de bezuinigingsplannen akkoord is gegaan en zijn mede- onderhandelaars gedurende ruim 7 weken in de waan heeft gelaten dat ook over de details een akkoord zou worden bereikt. De politiek kent haar eigen spelregels, maar bij de rechter zou de PVV zeer waarschijnlijk een flinke schadevergoeding voor deze wijze van breken moeten betalen.